Mijn mond valt open. Er komt me een zwarte Clio tegemoet. Ik lees opnieuw de nummerplaat: 29-JV-LF. Dat is mijn nummer, van de auto waarin ik rijd…, een zwarte Clio. De auto komt dichterbij. Mijn mond valt verder open. Dat ben ik die achter het stuur zit van die auto. De auto passeert mij en draait de straat in, waaruit ik net gekomen ben…

Eigenlijk mag ik hier niet keren, maar dit is té gek… Ik draai nu ook die straat in, maar de auto is nergens te bekennen. Waar kan die zo snel heen gegaan zijn? Ik rijd een stuk door en sla wat zijwegen in, maar ik vind de auto niet meer. Op een gegeven moment kijk ik teveel rond en rijd ik tegen een andere auto aan. Ook dat nog. Een hele consternatie. Allerlei mensen komen toegesneld. Of het wel goed met me is, want enkele mensen zagen het gebeuren, zonder enige aanleiding. “Het spijt me, ik was afgeleid,” hoor ik mezelf zeggen.

Ondertussen is ook de eigenaar van de auto naar buiten gekomen. De schade valt mee, maar er moeten toch wat papieren worden ingevuld. “Waardoor werd u afgeleid?”, vraagt de eigenaar. “Ik zocht een auto, een zwarte Clio met nummerplaat 29-JV-LF.” “Maar dat is uw eigen nummer…”, reageert de eigenaar. “Ja, merkwaardig, hè,” antwoord ik. De eigenaar kijkt me meewarig aan en zegt:“Ik denk dat u beter een taxi kunt nemen, u lijkt me wat in de war”. “Ja, dat ben ik zeker.”

Thuisgekomen vertel ik mijn vrouw wat me is overkomen en ik weet al wat ze gaat zeggen: “Ach lieffie, ik denk dat je moe bent. Vanavond maar eens vroeg gaan slapen, niet?”. “Je gelooft me niet”, zeg ik. “Natuurlijk geloof ik je lieverd.” Ik was inderdaad moe en ben die avond heel vroeg gaan slapen. Want wat viel er nog te zeggen…? Tot op de dag van vandaag schrik ik als ik een andere zwarte Clio zie.